Dr. Dolittle
Geregistreerd op: 14-11-2005 Berichten: 2713
|
Onderwerp: Vruchtbaarheidproblemen bij mannen:onderzoek |
|
|
Ondervraging
Om de oorzaak van de verminderde vruchtbaarheid te onderzoeken, zal de arts eerst proberen om door gerichte vragen mogelijke problemen of oorzaken op het spoor te komen.
Elementen die daarbij aan bod komen zijn o.m.: het ingedaald-zijn van de zaadballen, omgevings- en beroepsfactoren (werken met bestrijdingsmiddelen of zware metalen), leefgewoonten, doorgemaakte ziekten met koorts, herhaalde urineweginfecties, bof tijdens of na de puberteit, behandeling tegen kanker, geslachtsziekten, operaties (Liesbreukoperaties op jeugdige leeftijd, operaties aan de blaashals, oncologische chirurgie in het kleinebekken), gebruik van alcohol, tabak, drugs of geneesmiddelen, het verloop van de geslachtsgemeenschap en bijzonderheden van de zaadlozing (seksuele en erectiestoornissen, ejaculatiestoornissen), mogelijke oorzaken van verhoogde temperatuur van de balzak (strak ondergoed, elektrische dekens, frequente hete baden of saunabezoek), het bestaan van mannelijke onvruchtbaarheid in de familie...
Zaadonderzoek
Men onderzoekt de hoeveelheid zaadcellen, de beweeglijkheid en hun vorm.
Zaadonderzoek is een momentopname. De kwaliteit van het zaad is niet constant. Als blijkt dat de kwaliteit van het zaad niet optimaal is adviseert men vaak het onderzoek te herhalen.
Tegelijkertijd met het zaadonderzoek kan een MAR-test of IBT-test gedaan worden. Daarbij onderzoekt men of er antistoffen tegen zaadcellen aanwezig zijn. Doorgaans kijkt men naar twee soorten antistoffen: IgA en IgG. Als deze antistoffen bij een groot percentage zaadcellen voorkomen, is de kans op bevruchting mogelijk kleiner.
Lichamelijk onderzoek
Zo nodig verricht de arts ook een lichamelijk onderzoek op mogelijke afwijkingen van de geslachtsorganen, het beharingspatroon en operatielittekens. Ook kunnen de zaadballen onderzocht worden op mogelijke ontstekingen of een spataderkluwen.
Tot slot kan de arts de prostaat met een vinger via de anus aftasten.
Aanvullende onderzoeken
Postcoïtum-test of Sims-Hühnertest
Bij deze test kijkt de arts of er na het vrijen beweeglijke zaadcellen in het baarmoederhalsslijm van de vrouw aanwezig zijn. Daarom moet u voor het onderzoek gemeenschap hebben. Dit kan de avond voor het onderzoek zijn, of de ochtend van het onderzoek. Bij uw partner haalt de arts via een spreider (speculum) wat slijm weg voor onderzoek onder de microscoop. Men beoordeelt hoeveel zaadcellen in het slijm aanwezig zijn, en welk deel daarvan goed beweegt.
Ook de kwaliteit van het slijm is van belang voor de uitkomst van het onderzoek. Bij veel zaadcellen die goed bewegen is de kwaliteit van het zaad over het algemeen goed. Bij weinig of weinig bewegende zaadcellen zegt de uitslag van het onderzoek minder. Mogelijk is de kwaliteit van het slijm dan niet optimaal of zijn er antistoffen in het slijm tegen de zaadcellen aanwezig.
Sperma-mucus-test
Een variatie op de postcoïtum-test is de sperma-mucus-test. De arts neemt een beetje slijm van de baarmoedermond bij uw partner weg. Nadat dit op een glaasje is gelegd, voegt men door masturbatie verkregen sperma toe. Na een paar uur onderzoekt men of de zaadcellen goed zijn doorgedrongen in het slijm. Het is ook mogelijk om te kijken hoe het zaad beweegt in slijm van iemand anders, en te kijken hoe het zaad van iemand anders beweegt in het slijm van uw partner (de zogenaamde gekruiste sperma-mucus-test).
Hormoononderzoek
Hierbij bepaalt men in het laboratorium de hoeveelheid van het follikelstimulerend hormoon (FSH) in het bloed. Dit hormoon is van belang bij de sperma-aanmaak. Bij te weinig FSH valt soms een hormoonkuur te overwegen.
Ook de testosteronspiegel in het bloed kan men bepalen. Het testosterongehalte is een maat voor het functioneren van de testikels.
Echografisch onderzoek van de balzak, de prostaat en zaadblaasjes
Soms adviseert de arts een echo te maken, bijvoorbeeld als er bij lichamelijk onderzoek afwijkingen zijn, of bij een afwijkende hoeveelheid of kwaliteit van de zaadvloeistof.
Biopsie van de zaadballen
Als er geen zaadcellen in het sperma aanwezig zijn, adviseert de arts soms een biopsie. Men haalt dan een klein stukje weefsel uit de zaadbal, dat onder de microscoop wordt onderzocht. Dit onderzoek heeft over het algemeen weinig betekenis voor de verdere behandeling.
Onderzoek van chromosomen en genen
Bij zeer ernstige sperma-afwijkingen bestaat de mogelijkheid van chromosomenonderzoek in het bloed, waarbij men let op de vorm en het aantal chromosomen.
Ook DNA-onderzoek van het bloed is mogelijk. Daarbij kijkt men naar afwijkingen op de genen. Een voorbeeld van een gen-afwijking is het ontbreken van erfelijk materiaal (DNA) op het Y-chromosoom. Zo is het afwezig zijn van de zaadleiders een reden om DNA-onderzoek te verrichten. |
|